3. Regionale afstemming, ketenbenadering

Samenwerking tussen scholen

Belangrijk is dat op regionaal niveau gezamenlijk voorzieningen voor leerlingen met specifieke ondersteuningsbehoeften worden georganiseerd en dat er sprake is van goede onderlinge afstemming (Meijer 2001, 2003, 2005). In het beleid voor Passend Onderwijs wordt hier (experimenteel) vorm aan gegeven o.a. door in het voortgezet onderwijs regionaal-sectorbreed te werken.

Ketenbenadering

Coördinatie en samenwerking tussen alle betrokken instanties en voorzieningen (gezondheidszorg, jeugdzorg, onderwijs en psychodiagnostische voorzieningen) buiten de school en tussen school en ouders zijn nodig ten behoeve van leerlingen met specifieke ondersteuningsbehoeften (Meijer 2001, 2003a, 2005). In het deel over factoren op leerlingniveau bevestigt Marzano de grote invloed van leerlingfactoren (intelligentie, opleidingsniveau ouders) op de schoolse prestaties. Toch ziet hij mogelijkheden om, vanuit de school, hierop invloed uit te oefenen. Hij noemt o.a.:

- training en ondersteuning van ouders zodat ze effectiever met hun kinderen over leren en de school in gesprek kunnen gaan (een ondersteunende thuisomgeving);

- leerlingen ervaringen laten opdoen met crystallized knowledge (kennis van dewereld; levenservaring) door het werken met mentoren uit andere etnische/ sociaal-economische groepen. Dit sluit aan bij het pleidooi van Bowen Paulle voor structurele toegang tot de leef- en leerwereld van de middenklasse (Paulle, 2005);

- leerlingen aan zelfontworpen projecten laten werken waardoor hun gevoel van eigenwaarde en hun kennis van de wereld worden bevorderd.


Toegang tot voorzieningen

Voorzieningen dienen (ook op regionaal niveau) gemakkelijk toegankelijk te zijn.

Scholen moeten financiën flexibel kunnen inzetten (geen bureaucratische belemmeringen) (Meijer 2001, 2003a, 2005). Dit strookt met een advies in Groeistuipen in het speciaal onderwijs (Van Dijk, e.a., 2007) om middelen voor leerlingen niet puur te baseren op deficiëntiediagnose (zoals nu de praktijk is), maar om per leerling te bepalen welke middelen nodig zijn voor de gewenste resultaten. Dit advies sluit aan bij een zich ontwikkelende praktijk in inclusieve scholen én in speciale onderwijszorg, waarin de focus ligt op ontwikkelingsmogelijkheden van leerlingen in relatie tot de gegeven context. Deze ontwikkeling vindt haar weerslag in het professioneel handelen van leraren (zie met name de uitwerking van basisdimensie B2 van het competentieprofiel).

In de focusinterviews wordt aan dit aspect vooral in het Oosterlichtcollege (VO) aandacht besteed. Genoemd worden:

- de rol van de mentor als spil in de afstemming;

- het vinden van een goed evenwicht in het inschakelen van externe en interne deskundigheid;

- het belang van eigen deskundigheidsbevordering en

- het belang van een goede onderlinge afstemming in het team (wekelijks overleg) met de ouders.


terug...